Componist Howard Goodall in IJsselstein

Op uitnodiging van de stichting Vrienden van de COV IJsselstein komt de Engelse componist Howard Goodall naar Nederland. Hij zal het concert bijwonen en bovendien de dag ervoor vertellen over zijn werk. Het wordt een interactieve presentatie, dus je kunt al je vragen over componeren en zijn werk aan hem stellen.

Bioscoopzaal van het Fulcotheater, donderdag 6 oktober van 16:00 tot 17:00 uur.
Aanmelden via het secretariaat, covsecretaris@gmail.com.

Goodall beschrijft in bloemrijke taal over zijn waardevolle ervaringen als koorknaap: The Chorister Thing (2005).

Veertig jaar geleden werd ik koorzanger in het koor van New College Oxford, niet echt wetend wat ik kon verwachten of wat ik kon bijdragen, behalve dat ik wist dat ik de wijs kon houden, ik de kneepjes van het vak kon leren van mijn oudere broer die er al was en ik wist ook dat ik van Christmas Carols hield (die meer verband leken te hebben met 'koorzangers' dan wat ik ook kon bedenken met mijn relatief beperkte muzikale horizon). Het koorhemd (witte meisjesachtige opperkleed), de kazuifel (zwart, geheimzinnig, monnikachtig gewaad) en de kraag (Elizabethaanse, geplooide en gesteven kraag) die we moesten dragen, maakten dat we ons speciaal voelden, anders dan de andere - soms spottende, soms jaloerse - jongens van school, net als de toga en academische afstudeerhoeden (vierkant, excentrisch en wiebelig op je hoofd), waarin we elke ochtend en avond als een stel krokodillen naar de kapel schuifelden. Tegenwoordig zou je het Hogworts Chic kunnen noemen (verwijzend naar de Zweinstein Hogeschool van Harry Potter). Toen, in de hoogtijdagen van de Beatles, Hendrix en Twiggy, was het voornamelijk oubollig.

Afgezien van de fraaie aankleding, bestond het leven van een koorknaap uit lange reeksen vocale oefeningen dat eindigde op 13-jarige leeftijd, als we allemaal in staat waren om elk stuk muziek dat ze voor ons neerlegden, foutloos van blad te zingen. Daarnaast vatte ik een levenslange liefde op voor het pijporgel, voor muzikanten het equivalent van treinen spotten.
Pas toen ik vervolgens naar een middelbare school ging waar niet elke dag koorzangers in de kapel zongen, realiseerde ik me dat wat we hadden gedaan een ietwat ongewone ervaring was voor een 7-13-jarige jongen. Tot dan toe had ik, naïef, aangenomen dat het 'normaal' was om Tomkins, Tallis of Tye te zingen tussen voetbal, hockey en atletiek of wiskunde, geschiedenis en wetenschap door. Ik dacht dat de eigenzinnige Britse kerkcomponisten die ik elke dag zong (Samuel Sebastian Wesley, Charles Stanford, Kenneth Leighton, William Byrd, Orlando Gibbons en Edmund Rubbra bijvoorbeeld) dé grote componisten waren. Ik wist wel dat Bach een reus was en ook dat Mozart en Beethoven bestonden, maar Beethoven schreef geen Magnificat en Nunc Dimittis, dus hij viel buiten ons muzikale gezichtsveld. Wagner, wie was dat in hemelsnaam?

We speelden de hoofdrol tijdens de meest sfeervolle en theatrale religieuze rituelen van het jaar (Kerstmis, de Passie en de Dodenherdenking springen eruit), gelegenheden die ik me nog levendig herinner alsof ze gisteren plaatsvonden, bijna tot aan de geur van de kapel - bijenwas voor het boenen van kerkbanken (doordringend, geruststellend), oliekachels onder de kerkbanken (zoet, ranzig) en 400 doorweekte regenjassen (overweldigend). Na het avondgebed joegen wel elkaar in de slaapzaal doodsangst aan met spookverhalen en complottheorieën over ondeugdelijke studenten (blijkbaar "verdreven wegens amoreel gedrag") of enge priesters die op de loer lagen in de spookachtige klokkentoren. Gruwelijke verhalen over 18e-eeuwse castraten of de praktijk van koorzang uit de 17e eeuw werden verteld alsof ze een paar weken eerder waren voorgevallen. We zongen 17e-eeuwse muziek alsof het net van de plank kwam - dus waarom de verhalen niet?

We speelden de hoofdrol tijdens de meest sfeervolle en theatrale religieuze rituelen van het jaar (Kerstmis, de Passie en de Dodenherdenking springen eruit), gelegenheden die ik me nog levendig herinner alsof ze gisteren plaatsvonden, bijna tot aan de geur van de kapel - bijenwas voor het boenen van kerkbanken (doordringend, geruststellend), oliekachels onder de kerkbanken (zoet, ranzig) en 400 doorweekte regenjassen (overweldigend). Na het avondgebed joegen wel elkaar in de slaapzaal doodsangst aan met spookverhalen en complottheorieën over ondeugdelijke studenten (blijkbaar "verdreven wegens amoreel gedrag") of enge priesters die op de loer lagen in de spookachtige klokkentoren. Gruwelijke verhalen over 18e-eeuwse castraten of de praktijk van koorzang uit de 17e eeuw werden verteld alsof ze een paar weken eerder waren voorgevallen. We zongen 17e-eeuwse muziek alsof het net van de plank kwam - dus waarom de verhalen niet?

Maar bovenal heeft de ervaring muziek vanaf jonge leeftijd zich in mijn wezen ingebed, niet als een solo-achtervolging in eenzame oefenruimtes of als een reeks examenhindernissen, individuele trofeeën en prijzen, angstige ouders en traumatische wedstrijden, maar als diepgaand gemeenschappelijk teamwerk. We waren beter - stukken beter - als ensemble dan ieder van ons had kunnen hopen voor zichzelf. We zongen als groep, we speelden en werkten en maakten grapjes en vochten en kregen als groep griep. We groeiden in gezamenlijkheid. Er is geen ander woord voor. Het geluid van 16 getrainde jongens of meisjes die een groot muzikaal hoogtepunt bereiken in de akoestische grandeur van een kathedraal, abdij of universiteitskapel is opwindend. Het is een van de unieke dingen van ons volk, van hoog muzikaal niveau en cultureel onbetaalbaar. De Fransen stopten in het begin van de 20e eeuw met hun eens zo talrijke kathedraalkoren en hun geluid is sindsdien nooit meer teruggekomen, ondanks de onvermoeibare inspanningen van de regering in de afgelopen decennia om hun verloren traditie nieuw leven in te blazen. Elke keer als ik de Requiems van Fauré of Duruflé hoor, die zijn geschreven voor Franse kathedraalkoren die vergelijkbaar zijn met de onze, voel ik me verdrietig omdat die koren niet meer bestaan.

De koorzangers met wie ik eind jaren 60 in Oxford zong, hebben nu bijna allemaal een baan in de muziek en de kunsten. Grote, verantwoordelijke banen. De ervaring was gewoon te krachtig om in een hokje te stoppen en te vergeten. We hadden geleerd hoe we moesten presteren, hoe we moesten communiceren, hoe we als team ons beste beentje voorzetten, hoe we onze tijd moesten indelen, hoe we ons lange tijd konden concentreren, hoe we onderscheid konden maken tussen uitstekend en middelmatig en hoe we honderden jaren oude vergeelde manuscripten met verwaarloosde muziekstukken een nieuw leven konden inblazen. Dankzij genereuze beurzen, stichtingen en het muziek- en dansprogramma van DfES kunnen alle Britse kinderen deze geweldige, levensveranderende ervaring opdoen, ongeacht hun achtergrond. We kunnen enorm trots zijn op deze traditie en haar buitengewone opbrengst. Wordt het niet eens tijd dat we het van de daken schreeuwen?


Wil je ter voorbereiding op de ontmoeting met Howard Goodall meer lezen? Kijk op zijn website en lees bijvoorbeeld over het stuk dat wij gaan zingen www.howardgoodall.co.uk/works/choral-music/every-purpose-under-the-heaven.

Een greep uit  interviews met Goodall van de afgelopen jaren: